
De verborgen wereld van de kamerwoningen
In de 19e eeuw groeide 's-Hertogenbosch explosief. De woningbouw kon deze snelle groei niet bijbenen. De stad was een vesting, ingesloten door muren en omringd door moerassen, waardoor uitbreiding buiten de stad onmogelijk was. Steeds meer mensen trokken vanuit het platteland naar de stad op zoek naar werk. Echter waren in 's-Hertogenbosch nauwelijks fabrieken en ambachtelijke werkplaatsen waardoor veel inwoners in bittere armoede moesten leven. Het gevolg? Kamerwoningen waar mensen op een zo klein mogelijke oppervlakte woonden. Dit waren kleine, sobere huisjes in smalle stegen of achtertuinen, waar hele gezinnen zich moesten zien te redden in één of twee kleine kamers.
Kamerwoningen in de Louwschepoort in 1932: toen onbewoonbaar verklaard zoals te zien is op het bordje boven de deur.
Wonen in een kamerwoning: klein, vol en duur
Het dagelijks leven in een kamerwoning was een strijd. Een gezin van soms wel tien mensen deelde een ruimte van amper 16 vierkante meter. In deze kamer werd gekookt, gegeten, geslapen en gewerkt. Water moest gehaald worden bij een gezamenlijke pomp, die vaak maar op bepaalde tijden open was. Toiletten waren gedeeld en stonden meestal op een binnenplaats of in een steeg, waar tientallen gezinnen er gebruik van maakten. De beerputten veroorzaakten een ondraaglijke stank en waren een bron van ziektes zoals bijvoorbeeld cholera. Vuil water werd op straat gegooid of ’s nachts stiekem in de Binnendieze geloosd, hoewel dit officieel verboden was. Door het ophogen van de straten lagen veel kamerwoningen iets onder het straatniveau. Bij wateroverlast of een overstromende beerput liep het water daardoor de huizen binnen.
Kamerwoningen in het straatje Achter de Boogaard (1929). Bekijk in beeldbank Erfgoed 's-Hertogenbosch.
Kamerwoningen in het straatje Achter het Fortuintje (1933). Bekijk in beeldbank Erfgoed 's-Hertogebosch.
Over het algemeen waren kamerwoningen snel gebouwd met slechte bouwmaterialen. Ze hadden een haard die rug aan rug stond met die van het buurpand, zodat het rookkanaal gedeeld kon worden. De kinderen sliepen vaak op de zolder, als die er was, of in een bedstede onder de trap. In de zomer was het op die zolder verstikkend warm, in de winter bitterkoud. De huisjes stonden in smalle stegen, soms niet breder dan 0,5 tot 1 meter. Lichtinval was schaars in de kamerwoningen. Vaak was er maar één klein raam. Slechts enkele huizen hadden een klein plaatsje, waar de bewoners dan hokken voor kippen en konijnen bouwden.
Bouwtekening van een van de kameren in het straatje Achter den Engel uit 1887.
Plattegrond van de kameren aan het Katerstraatje uit 1906.
Ondanks deze erbarmelijke omstandigheden stegen de huurprijzen door de grote vraag naar woonruimte. Sommige huizen brachten op jaarbasis bijna 50% van hun verkoopwaarde op aan huur, terwijl 7% van die waarde als een aanvaardbare jaarlijkse huur werd aangemerkt. Voor grondeigenaren en huisjesmelkers was deze situatie een gouden kans. Omdat er weinig regelgeving was, konden zij zonder gemeentelijke goedkeuring bouwen waar en hoe ze maar wilden. Dat gebeurde dan ook veelvuldig. De achterterreinen van de Vughterstraat werden in korte tijd bijvoorbeeld helemaal volgebouwd met deze kleine woningen.
Toename van het aantal kameren aan het uiteinde van de Vughterstraat. Links de situatie in 1823 en rechts de situatie in 1903. Bijna het hele achterterrein is volgebouwd met kamerwoningen.
Pogingen tot betere huisvesting
Aan de Zuid-, Oost- en Noordwal van 's-Hertogenbosch werden woningen gebouwd door de Bossche bouwmaatschappij, samen met liefdadigheidsinstellingen. Deze woningen waren van goede bouwmaterialen gemaakt en hadden betaalbare huurprijzen. Ze bestonden doorgaans uit twee of zelfs drie kamers en beschikten over een eigen toilet en waterleiding.
De eerste stappen naar verbetering
In 1893 werd in Zuid-Nederland een groot onderzoek gedaan naar de woonomstandigheden van arbeidersgezinnen. De resultaten waren schokkend: de meeste woningen waren nauwelijks bewoonbaar. Toch duurde het lang voordat er ingegrepen werd. Pas na de invoering van de Woningwet in 1901 kon de gemeente ‘s-Hertogenbosch eisen stellen aan nieuwbouw. Woningen die niet aan de gestelde eisen voldeden, konden bovendien onbewoonbaar worden verklaard. Dit middel werd in de eerste jaren na de Woningwet overigens niet ingezet. Pas in 1904 werd er voor het eerst gebruik van gemaakt. Een groot nadeel was namelijk dat de getroffen bewoners hierdoor dakloos werden.
In 1909 bleek uit onderzoek dat slechts 112 van de 2.160 onderzochte kamerwoningen aan de minimale eisen voldeden. De schrijnende woonomstandigheden bleven dus een groot probleem.
De ondergang en restauratie van de kamerwoningen
Vanaf 1918 begon de gemeente zelf met woningen te bouwen, zodat er eindelijk een inhaalslag kon worden gemaakt om het woningtekort te verkleinen. Vanaf 1925 begon de geleidelijke sloop van kamerwoningen. De gemeente startte met het bouwen van betere huizen en langzaam verdwenen de benauwde steegjes met de overvolle woningen.
Afbraak van de kameren Achter het Fortuintje in 1961. Bekijk in beeldbank Erfgoed 's-Hertogenbosch.
In 1975 nam de gemeente een bouwhistoricus in dienst waarna de nog bestaande kameren werden onderzocht en hun cultuurhistorische waarde werd erkend. De kamerwoningen waren namelijk lange tijd een gebruikelijke woonvorm geweest in Den Bosch. Dit was de aanzet tot restauratie van enkele van de nog overgebleven kameren. Vandaag de dag zijn er nog enkele kamerwoningen te vinden in de Korte Putstraat, louwschepoort, schildersstraat, clarastraat en het Peter de Gekstraatje. De geschiedenis van de kamerwoningen vertelt een verhaal van overbevolking, huisjesmelkerij en sociale ongelijkheid. Het is een belangrijk stukje erfgoed dat laat zien hoe 's-Hertogenbosch zich door de tijd heen heeft ontwikkeld.
Behouden en gerestaureerde kamerwoningen in de Louwschepoort (2025).